Epigenetische veroudering wijst op latere geheugenproblemen

Onderzoekers hebben ontdekt dat versneld verouderen van het epigenoom in de veertiger jaren samenhangt met verlies van geheugenfunctie op latere leeftijd. Het epigenoom is een laagje chemische markeringen op het DNA dat de activiteit van genen kan beïnvloeden. Epigenetische leeftijd is een maat om te bepalen hoe snel iemands biologische veroudering verloopt, los van de kalenderleeftijd.

Het geheugenprobleem dat hierbij vooral opvalt is prospectief geheugen, de vaardigheid om geplande taken uit te voeren. Deze vorm van geheugen lijdt vooral onder de schade die veroudering aan hersencellen veroorzaakt. Uit het onderzoek blijkt dat een hogere biologische leeftijd op middelbare leeftijd kan wijzen op meer geheugenklachten rond de 50 of 60 jaar.

De studie gebruikte gegevens uit een grote bevolkingsgroep waarbij gekeken werd naar het verband tussen epigenetische leeftijd en zelfgerapporteerde geheugenproblemen. Hoewel het onderzoek nog beperkingen heeft qua omvang en meetmethoden, benadrukt het de rol van vroege signalen in de middenjaren als voorspeller van latere cognitieve achteruitgang.

Dit is belangrijk omdat het inzicht geeft in hoe vroegtijdige biologische veranderingen in het DNA kunnen bijdragen aan gezond ouder worden. Door tijdig te letten op deze signalen wordt mogelijk eerder ingegrepen om geheugenverlies te beperken of uit te stellen.

Bron: Reason